“Daar gaan we weer“. Dat was mijn eerste reactie toen ik de titel van de blogpost “The Report of the LMS’s Death is an Exaggeration” van Glenda Morgan en Phil Hill las. Morgan en Hill reageren hierin op een aantal recente bijdragen die stellen dat de dagen van het leermanagementsysteem (LMS) geteld zijn. Ik deel hun mening, en wil deze discussie graag in historisch perspectief plaatsen.
Leermanagementsystemen zijn kort voor de eeuwwisseling populair geworden. Instellingen voor hoger onderwijs gingen op grote schaal aan de slag met systemen zoals Blackboard en WebCT, iets later met Moodle. Deze systemen noemden we toen elektronische leeromgevingen en virtual learning environments. Binnen het bedrijfsleven was de term ‘LMS’ toen al in gebruik.
Op een gegeven moment kwam er steeds meer kritiek op deze omgevingen. Ze zouden de lerende onvoldoende centraal stellen, en te vergelijken zijn met een Zwitsers zakmes: je kunt er veel mee, maar de meeste functionaliteiten zijn erg beperkt vormgegeven. Rond 2005 werd bijvoorbeeld voor het eerst geschreven over elektronische leeromgevingen van de toekomst die meer persoonlijk zouden zijn (personal learning environment). Deze discussie werd sterk beïnvloed door de opkomst van -wat we toen noemden- social software: toepassingen zoals weblogs, wiki’s, Flickr, enzovoorts die gebruikers gemakkelijk in staat stelden content te creëren en te publiceren, kennis te delen, en met anderen daarover te interacteren. Menig ‘edublogger’ -ook ik- schreef hoe de eigen persoonlijke leeromgeving was samengesteld.
Rond 2010 spraken we over de digitale leeromgeving als samenhangend geheel van applicaties, die met elkaar geïntegreerd zouden worden, en die het leren zouden faciliteren. We hadden ideeën over ‘digitale bodemplaten’ waarop we ‘a la Lego’ allerlei applicaties zouden kunnen ‘klikken’ die dankzij de bodemplaat en standaarden en specificaties data met elkaar zouden uitwisselen. Op de vraag wat dan die bodemplaat zou zijn, moesten we het antwoord schuldig blijven. Bij de Open Universiteit hebben we geprobeerd om de portaalsoftware Liferay te gebruiken als ‘bodemplaat’. Daarboven op werden tal van functionaliteiten geprogrammeerd. Dit werkte erg goed, ook al hadden we nog steeds de nodige wensen wat betreft de doorontwikkeling ervan. De toenmalige collegevoorzitter committeerde zich sterk aan deze ontwikkeling. Een bestuurswisseling leidde helaas tot een koerswijziging (implementatie van ‘off the shelf’-applicaties). Het was heel mooi geweest als we toen de huidige discussie over publieke waarden hadden gehad, en bestuurders aller instellingen zich hadden geschaard achter dit alternatief voor de commerciële LMS’en. Wat had het onderwijs dan een krachtige digitale leeromgeving gehad!
Rond 2017 keken verschillende onderwijsinstellingen ook naar Office 365 als alternatief voor een LMS. Ik heb daar toen verschillende bijdragen over geschreven (hier en hier), die destijds leidden tot veel reacties. Kort samengevat komt het er op neer dat Office 365 m.i. geen alternatief is voor een LMS als je tenminste de nodige ambitie hebt op het gebied van ’technology enhanced learning’.
Ondertussen stond de ontwikkeling van de leermanagementsystemen ook niet stil. Canvas kwam op, BrightSpace werd meer populair en itslearning en Moodle werden vernieuwd. Deze applicaties werden in feite gebruikt als ‘bodemplaat’ waarmee tal van applicaties geïntegreerd konden worden. Denk aan Feedback Fruits of Big Blue Button. Instellingen namen geen afscheid van het LMS, ze switchten wel van aanbieder. Rond die tijd -vanaf 2015- parafraseerde ik tijdens presentaties daarom Mark Twain: de verhalen over de dood van het LMS zijn schromelijk overdreven.
Inmiddels zijn we weer wat jaren verder en reageren Morgan en Hill op recente publicaties waarin weer wordt gesteld dat het LMS zijn functie heeft verloren. Aanleiding is een post van Alfred Essa, die betoogt dat het LMS zijn langste tijd heeft gehad en vervangen zal worden door nieuwe, flexibelere systemen. Uiteraard is nu de adoptie van AI daar debet aan. Morgan en Hill delen de analyse dat het onderwijs voor structurele uitdagingen staat, maar zij verwerpen de conclusie dat het LMS daarom zou verdwijnen. Het LMS is nodig om leren op institutionele schaal mogelijk te maken.
In short, we believe the LMS is not dead or even dying; it is as crucial as ever, even if the product category needs to improve and better serve colleges and universities.
Een belangrijk deel van hun betoog draait om het onderscheid tussen leren en de voorwaarden voor leren. De auteurs zijn het met Essa eens dat leren niet ‘in’ een LMS plaatsvindt. Leren ontstaat door oefenen, feedback, interactie -ook met content- en begeleiding door docenten en ander experts. Het LMS is volgens hen nooit ontworpen als didactisch instrument, maar als logistiek systeem dat het onderwijsproces organiseert.
Waar zij expliciet van mening verschillen, is de waardering van die logistieke rol. Het LMS beheert inschrijvingen, verspreidt leermaterialen, regelt toegang, cijfers, verantwoording en audits. Daarmee houdt het de ‘business van leren’ draaiende. Zodra het perspectief verschuift van de individuele lerende naar opleidingen en instellingen als geheel, wordt het volgens Morgan en Hill onmogelijk om leren los te zien van die organiserende infrastructuur. Het LMS fungeert als samenbindende omgeving waarin materialen, activiteiten en interacties bij elkaar komen en waarvandaan gespecialiseerde tools worden ontsloten.
Die samenhang, of coherentie, is volgens de auteurs geen luxe. Zonder een centrale plek besteden lerenden veel tijd aan het zoeken naar informatie, het beheren van verschillende accounts en het begrijpen van hoe alles samenhangt. Dat gaat ten koste van inhoudelijke betrokkenheid, en verzwaart m.i. zelfs de cognitieve belasting. Op instellingsniveau is die coherentie volgens de auteurs zelfs een randvoorwaarde: zonder een stabiele digitale omgeving kan onderwijs op schaal nauwelijks functioneren. Morgan en Hill trekken hier een parallel met fysieke klaslokalen: ook die veroorzaken geen leren, maar zonder de organisatie van ruimte, tijd en toegang stort het leerproces snel in.
Ik deel deze mening. Ik merk in mijn praktijk de behoefte bij docenten en lerenden aan structuur en overzicht, aan snel leerinhouden kunnen vinden en opdrachten kunnen inleveren (en van feedback voorzien). Een goed ingericht LMS voorziet hierin. Dankzij de integratie van meer ‘sexy’ applicaties kun je vervolgens innovatieve en krachtige leeractiviteiten mogelijk maken, en onderwijs waarbij de lerende meer centraal staat, faciliteren. Bovendien heeft een goed LMS tal van mogelijkheden om meer flexibel onderwijs mogelijk te maken; flexibel naar tempo, inhoud en niveau (tijd- en plaatsonafhankelijk leren kon al met de LMS’en waar we tijdens de milleniumwisseling over beschikten). Daar komt bij dat ontwikkelaars van LMS-en bezig zijn om AI-functionaliteiten te integreren in hun LMS. Degenen die dit niet op een doordachte manier doen, zullen m.i. op termijn trouwens niet overleven.
Een tweede belangrijk argument in het artikel betreft de kosten. Essa stelt dat LMS’en duur zijn als je kijkt naar de total costs of ownership. Morgan en Hill plaatsen dit in perspectief. LMS-uitgaven vormen doorgaans een klein deel van de IT-begroting, die op haar beurt slechts een beperkt deel van de totale instellingskosten is. Bovendien concurreert het LMS niet met docenten of curriculum, maar met andere bedrijfskritische systemen. In dat licht is het LMS relatief goedkoop, zeker gezien het feit dat vrijwel iedere docent en iedere lerende er dagelijks gebruik van maakt.
De auteurs gaan zelfs verder door te stellen dat het LMS waarschijnlijk een van de meest ondergewaardeerde enterprise-systemen in het onderwijs is. Met kosten van ruwweg twintig dollar per lerende per jaar fungeert het als digitale voordeur voor een volledige onderwijsloopbaan. Ter vergelijking: digitale leermiddelen van uitgevers of aanvullende tools kosten vaak tientallen dollars per cursus per semester. Paradoxaal genoeg werkt die lage prijs innovatie in de hand tegen, omdat instellingen prijzen van een LMS als norm zijn gaan beschouwen en moeite hebben om meer te betalen voor nieuwe, vaak AI-ondersteunde leersystemen die duurder zijn in ontwikkeling en exploitatie.
Ook dit argument deel ik grosso modo. Applicaties als Canva -niet Canvas-, LessonUp of Mentimeter zijn duurder dan het gemiddelde LMS. Ik wil hierbij overigens een paar opmerkingen maken:
- Als je als instelling werk wilt maken van digitalisering of zelfs digitale transformatie, dan zul je ook boter bij de vis moeten doen. Daar hangt namelijk een prijskaartje aan, ook al zal deze keuze -op termijn- ook strategische voordelen hebben. Als het goed is, is sprake van een investering en niet van een kostenpost. Waarom zou je hier anders voor kiezen?
- Toch blijft het van belang om op de kosten van digitalisering te letten. Je hebt namelijk te maken met publieke gelden waarover je verantwoording moet afleggen. Het is in dit kader van belang om als instelling scherpe keuzes te maken ten aanzien van het aantal applicaties en het type tooepassingen. Daarbij moet je vooral oog hebben voor de bijdrage aan de instellingsstrategie, voor functionaliteiten die elkaar aanvullen en versterken, en voor integratiemogelijkheden. Dat kan betekenen dat je niet altijd voor de meest gebruiksvriendelijke applicaties kiest en gebruikers teleur kunt stellen.
- Het is van belang om sowieso op centraal niveau zicht te hebben op de totale kosten -licenties, beheer, etcetera- van de applicaties binnen je digitale leeromgeving. Dit zicht ontbreekt nu, bijvoorbeeld omdat licenties worden betaald met creditcards van opleidingsteams of omdat docenten licentiekosten bij hun teammanager kunnen declareren. Voordat we het hebben over hoge kosten van de digitale leeromgeving, moeten we eerst zicht hebben op die kosten.
Albert Essa schrijft daarnaast dat alle LMS’en inwisselbare commodities zijn. Deze opvatting wordt ook door Morgan en Hill genuanceerd. Hoewel basisfunctionaliteiten op elkaar lijken, maakt de keuze voor een specifiek LMS volgens hen wel degelijk verschil. Gebruiksgemak, ondersteuning van verschillende onderwijsmodellen, aanpasbaarheid en de manier waarop leveranciers AI-functionaliteiten ontwikkelen lopen uiteen. Die verschillen hebben invloed op adoptie door docenten en op de mate waarin instellingen hun onderwijsontwerp kunnen doorontwikkelen. Ook dit herken ik. Het is met name de wijze waarop ontwikkelaars van LMS’en bepaalde functionaliteiten hebben vormgegeven die sterk kan verschillen. En dan heb ik het nog niets eens gehad over de plaats waar data wordt opgeslagen of de publieke waarden die een ontwikkelaar al dan niet onderstreept.
In hun slotbeschouwing erkennen de auteurs dat het LMS zal veranderen en dat we mogelijk te maken krijgen met een nieuwe generatie, mede onder invloed van AI. Dat betekent echter niet dat het LMS verdwijnt. Het LMS is volgens hen geen bron van innovatie, maar wel een noodzakelijk ‘workhorse system that underpins coherence, access, and scale‘. Ook deze opvatting deel ik. Het LMS is m.i. nog steeds een noodzakelijke basisvoorziening. Vooralsnog is er geen werkbaar alternatief voor de functie van ‘bodemplaat’. Is de digitale leeromgeving een lichaam, dan is het LMS het hart. De andere organen zijn dan applicaties die onderdeel uit maken van het lichaam en geïntegreerd zijn met het ‘hart’.
Helemaal terecht. Bij het LMS staat de M centraal en niet de L. Het faciliteert het organiseren van leren. In dit stuk ga je nog wel uit van de rol van een LMS bij een onderwijsinstelling. hierbij de de didactische component belangrijk. als je kijk naar de corporate wereld zie je een nadrukkelijke scheiding tussen het maken en uitvoeren van opleidingen en het organiseren hiervan. een LMS heeft dan nog nadrukkelijker de positie van het organiseren van leren. Het is het belangrijkste gereedschap van de backoffice van elke corporate leerafdeling. of het nu onderwijs is of corporate leerfunctie, het zal altijd gestructureerd en georganiseerd moeten worden. Het LMS is dus “here to stay”.
Deze discussie is inderdaad vooral relevant voor LMS’en zoals Brightspace, Canvas, itslearning en Moodle. LXP’s en LCMS-en worden daar bij mijn weten niet gebruikt. Deze applicaties bevatten didactische functionaliteiten, maar kunnen nog verder worden versterkt door integratie met andere applicaties. En zoals je schrijft: het structureren en organiseren van het onderwijs is een blijvertje.