Waarom veranderingen in het onderwijs vaak zo moeizaam plaatsvinden

Of het nu gaat om de adoptie van AI of om een curriculuminnovatie zoals ‘lerend kwalificeren’: veranderingen in het onderwijs vinden vaak moeizaam plaats, of in mindere mate. Een recente, omvangrijke, review studie biedt inzicht in de verklaringen hiervoor.

InnovationPedro de Bruyckere besteedt aandacht aan deze studie van Ebony N. Bridwell-Mitchell en Soojung Lee die zelf helaas niet vrij toegankelijk is. De studie analyseerde 147 onderzoeken naar schoolverbetering en toont een consistent patroon in hoe veranderingen in het onderwijs worden geïnterpreteerd, aangepast en uiteindelijk vaak afgezwakt.

Onderwijsvernieuwing blijkt in de praktijk hardnekkig weerbarstig vanwege de manier waarop scholen functioneren als instituties. Scholen blijken sterk ingebed in routines, structuren en overtuigingen die in de loop van decennia vanzelfsprekend zijn geworden. Denk aan zomervakanties, de gehanteerde didactiek, de toetsvormen of klassikale organisatie. Pedro verwijst daarbij naar wat David Tyack and Larry Cuban noemen de “grammar of schooling“. Dit is het geheel aan (vaak onbewuste) vaste patronen en structuren die het functioneren van scholen bepalen. Het zijn diepgewortelde aannames over hoe onderwijs eruit zou moeten zien.

Volgens de review werken deze aannames als een soort onzichtbare infrastructuur die bepaalt wat in scholen als logisch, haalbaar en professioneel verantwoord wordt gezien. Deze institutionele logica maakt dat hervormingen niet eenvoudig kunnen worden ingevoerd zonder dat ze botsen met bestaande verwachtingen van ouders, cultuur binnen teams, bureaucratische processen of bredere maatschappelijke opvattingen over onderwijs.

De studie toont dat beleidswijzigingen, nieuwe professionaliseringstrajecten of nieuwe curricula zelden één-op-één landen. In plaats daarvan worden ze door docenten, teams en schoolleiders voortdurend geïnterpreteerd en vertaald naar de eigen context. Deze ‘microbeslissingen’ zijn volgens de studie vaak bedoeld om veranderingen praktisch uitvoerbaar te maken en aan te laten sluiten bij wat collega’s waardevol vinden. Daardoor zoeken professionals legitimiteit in wat als normaal of verstandig geldt in de dagelijkse praktijk. Niet uit weerstand, maar vanuit de behoefte om stabiel en werkbaar onderwijs te bieden. Dit mechanisme verklaart volgens de onderzoekers waarom innovaties op papier ingrijpender lijken dan wat uiteindelijk in het klaslokaal zichtbaar wordt.

Pedro de Bruyckere benadrukt dat dit proces vernieuwing niet onmogelijk maakt, maar wel vertraagt. Structurele verandering ontstaat vooral wanneer verschillende logica’s elkaar versterken. Voorbeelden zijn situaties waarin beleidsdoelen aansluiten bij professionele overtuigingen, maatschappelijke verwachtingen dezelfde richting op bewegen, bureaucratische structuren niet remmen maar ondersteunen, en lokale experimenten voldoende tijd krijgen om te groeien. Zulke omstandigheden komen niet vaak voor, maar verklaren waarom sommige innovaties wel duurzaam worden en andere na enkele jaren verdwijnen.

De kernconclusie van de review studie is dat onderwijs niet traag verandert omdat mensen niet willen, maar omdat het systeem gebouwd is om stabiliteit te bieden. Die stabiliteit werkt soms frustrerend, maar beschermt scholen ook tegen grillige trends en snelle beleidsingrepen. Duurzame vernieuwing vraagt volgens Pedro daarom niet alleen om nieuwe ideeën, maar om het geleidelijk verschuiven van de onderliggende logica’s die bepalen hoe scholen werken. Pas wanneer die logica’s veranderen, beweegt niet alleen het beleid mee, maar ook de dagelijkse praktijk van docenten en lerenden.

Mijn opmerkingen

We zoeken bij de trage adoptie van innovaties vaak naar te eenvoudige verklaringen: onvoldoende tijd en ruimte voor docenten, onvoldoende investeringen en professionalisering en ondersteuning of te weinig leiderschap. Deze studie maakt duidelijk dat de werkelijkheid een stuk complexer is. Veel innovaties passen onvoldoende bij routines, structuren en overtuigingen. Zo verhoudt het gebruik van AI-technologie zich waarschijnlijk slecht tot de overtuiging wat goede manieren van beoordelen zijn of tot de overtuiging wat een goede manier van begeleiding van lerenden is.

Incrementele innovaties hebben daardoor waarschijnlijk een grotere kans van slagen dan radicale innovaties omdat deze beter aansluiten bij de “grammar of schooling”. We kunnen wellicht beter onze zegeningen tellen als het gaat om de ‘microbeslissingen’ in plaats van gefrustreerd raken omdat een innovatie alleen in afgeslankte vorm wordt doorgevoerd.

Pas als het voortbestaan van de school als institutie en de stabiliteit op het spel staan, kunnen mee radicale innovaties succes hebben. In onze regio staat het voortbestaan van de school als institutie echter niet snel op het spel.

Delen

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *