Digitale soevereiniteit in het onderwijs: van principe naar praktijk

De discussie over digitale soevereiniteit is in korte tijd verschoven van een abstract beleidsbegrip naar een concrete strategische vraag voor onderwijsinstellingen. Recente geopolitieke ontwikkelingen maken duidelijk dat afhankelijkheid van een beperkt aantal, veelal Amerikaanse, technologiebedrijven grote risico’s kan hebben. Er komt echter nogal wat kijken bij digitaal soeverein worden.

Digitale soevereiniteitDigitale soevereiniteit wordt door SURF (2025) gedefinieerd als: beschikken over zeggenschap, invloed, regie, keuzevrijheid en de benodigde innovatiekracht binnen een steeds verder digitaliserende wereld. Die definitie krijgt extra gewicht, en een andere lading, nu duidelijk is dat de Amerikaanse president Amerikaanse bedrijven juridisch kan verplichten om diensten te staken voor organisaties of landen die hem onwelgevallig zijn. Een voorbeeld is dat de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof tijdelijk werd afgesloten van zijn e-mailvoorziening. Niet het Strafhof als organisatie, maar wel een individuele functionaris werd geraakt. Het signaal is helder: toegang tot digitale diensten is niet vanzelfsprekend. Deze ontwikkeling gaat een stap verder dan zorgen omtrent data, privacy en ‘vendor lock-in’, en heeft geleid tot verschillende pleidooien om af te stappen van IT-oplossingen van Amerikaanse bedrijven. Steeds meer organisaties onderzoeken daarom of en hoe zij kunnen overstappen op Europese applicaties en infrastructuur. Dat is echter geen eenvoudige exercitie.

In de praktijk begint het gesprek vaak bij kantoorsoftware: van Microsoft 365 naar alternatieven als Nextcloud of LibreOffice. Dat kan een verstandige eerste stap zijn, maar wie het daarbij laat, bedrijft vooral symboolpolitiek. Digitale soevereiniteit raakt de volledige digitale keten: van devices en besturingssystemen tot cloudinfrastructuur, van leermanagementsystemen tot vakspecifieke software.

Een consequente keuze betekent bijvoorbeeld ook nadenken over:

  • het vervangen van je smartphone door een Fairphone
  • het leermanagementsysteem (Canvas en Google Classroom zijn bijvoorbeeld Amerikaans),
  • zoekmachines en browsers,
  • AI-technologieën zoals Google Gemini en ChatGPT,
  • communicatie- en samenwerkingsplatforms,
  • cloudopslag en back-upvoorzieningen (heel veel applicaties maken gebruik van Amazon Webservices),
  • vakspecifieke applicaties, zoals Adobe Photoshop in creatieve opleidingen, die dominant zijn binnen het werkveld.

Dat maakt de overstap ingrijpend en vraagt om een zorgvuldig, stapsgewijs traject.

Data-integriteit en datalocatie

Een belangrijke vraag bij digitale soevereiniteit is waar data worden opgeslagen en wie daar juridisch toegang toe heeft. Europese alternatieven bieden vaker garanties over datalocatie binnen de EU en over toepassing van Europese wetgeving. Tegelijk betekent dit niet automatisch dat data beter beheerd worden. Onderwijsinstellingen moeten scherp kijken naar datamigratie, versiebeheer, back-ups en datakwaliteit. Een overstap is ook een moment om op te schonen: welke data zijn echt nodig voor leren en opleiden, en welke niet?

Gebruikersadoptie

Techniek bepaalt niet het succes van een overstap, gebruikers doen dat. Docenten en lerenden zijn gewend aan bepaalde functionaliteiten, interfaces en werkprocessen. Voor hen telt vooral of systemen betrouwbaar zijn en het onderwijs ondersteunen. Europese alternatieven zijn functioneel vaak toereikend, maar werken soms anders. Dat vraagt om gerichte ondersteuning, tijd om te oefenen en ruimte om fouten te maken. Over gebruikersadoptie maak ik me de meeste zorgen. Het is al niet heel jofel gesteld met de digitale vaardigheden van menig gebruiker binnen onderwijsinstellingen. En nu gaan we hen vragen om de vele applicaties waarmee zij gewend zijn te werken, in te wisselen voor minder bekende alternatieven waarbij men mogelijk ook functioneel gezien water bij de wijn moet doen. Gebruikers zullen best overtuigd zijn van de urgentie, maar zijn zij ook bereid individueel genoegen te nemen met een minder goed functionerende of minder gebruikersvriendelijke applicatie? Er zal dus fors geïnvesteerd moeten worden in communicatie, professionalisering en ondersteuning van gebruikers. Zonder aandacht voor gebruikersadoptie leidt een overstap al snel tot frustratie en work-arounds, bijvoorbeeld door alsnog Amerikaanse tools buiten het zicht van de instelling te gebruiken. Het is namelijk heel gemakkelijk om zelf een account te nemen bij deze applicaties. ‘Schaduw IT’ krijgt dan een nieuwe impuls.

Inbedding in de IT-architectuur

Digitale omgevingen binnen onderwijsinstellingen zijn sterk verknoopt. Het LMS is gekoppeld aan het studentinformatiesysteem, toetsapplicaties, portfolio-tools, roostersystemen en soms externe applicaties. We gebruiken één account waarmee we tal van applicaties kunnen gebruiken, en wisselen ook data uit tussen diverse applicaties. Een alternatief kiezen betekent nagaan of bestaande koppelingen blijven werken, opnieuw gebouwd moeten worden of helemaal verdwijnen. Europese oplossingen bieden mogelijk niet altijd dezelfde mate van standaardisatie of ondersteuning voor bestaande API’s dan we gewend zijn. Dat vraagt om flinke investeringen in onderzoek, analyse en mogelijk andere architectuurkeuzes.

Compatibele software en vakspecifieke eisen

Voor sommige opleidingen is software geen ondersteunend middel, maar een leerdoel op zich. Denk aan grafische opleidingen die werken met Adobe-software, technische opleidingen of zorgopleidingen met specifieke software. Europese alternatieven bestaan veelal, maar zijn niet altijd één-op-één uitwisselbaar. Bovendien is het de vraag of bedrijven ook digitaal soeverein willen worden. De vraag is dan niet alleen of een tool vervangen kan worden, maar ook wat dit betekent voor het curriculum en de aansluiting op de beroepspraktijk.

Downtime en continuïteit

Elke migratie brengt risico’s met zich mee. Mogelijk kan data niet altijd gemigreerd worden en hergebruikt binnen andere systemen. Dat is bijvoorbeeld bij authoringtools vaak het geval. Tijdelijke onbeschikbaarheid van systemen kan direct gevolgen hebben voor onderwijsprocessen, toetsing en communicatie. Een stapsgewijze aanpak, met pilots en parallelle omgevingen, verkleint die risico’s. Volledig ‘omgaan’ in één keer is zelden realistisch, zeker niet bij organisaties met duizenden gebruikers.

Capaciteit en kosten

Digitaal soeverein worden legt een forse claim op de capaciteit van een onderwijsinstelling. Een IT-afdeling zal hier menig jaar mee zoet zijn. Met name minder omvangrijke onderwijsinstellingen zullen scherpe keuzes moeten maken, omdat zij anders amper toekomen aan andere ontwikkelingen. Verder hebben we te maken met diverse kostenposten. Je zult tijdelijk te maken krijgen met dubbele kosten voor licenties en beheer. Je kunt geen afscheid nemen van een applicatie voordat je het alternatief in gebruik hebt genomen. Ook heb je te maken met langer lopende contracten. De licentiekosten zijn slechts een deel van het verhaal. Migratiekosten, professionalisering, extra beheer en het (tijdelijk) naast elkaar draaien van systemen maken een overstap kostbaar. Tegelijk kan meer keuzevrijheid op termijn leiden tot minder vendor lock-in en meer onderhandelingsruimte. Kosten moeten daarom in samenhang en over meerdere jaren worden bekeken.

Welke alternatieven?

Wat ik zelf ook een lastige vind: ook in Europese landen kunnen partijen en staatshoofden aan de macht komen die toegang tot digitale diensten kunnen gebruiken voor geopolitiek. Stel je stapt over naar Duitse software en de AfD komt aan de macht?

Geleerde lessen

In het verleden hebben overheden en organisaties vaker besloten om afscheid te nemen van commerciële -proprietary- software, ten gunste van open source software. Argumenten rond over publieke waarden en afhankelijkheid van ‘big tech’ speelden hierbij een rol (veel applicaties binnen onderwijsinstellingen zijn overigens niet van ‘big tech’), al ontbrak de geopolitieke dimensie. Ik denk dat het belangrijk is om te kijken naar de geleerde lessen van die initiatieven. In 2003 besloot de gemeente München bijvoorbeeld over te stappen van Windows NT 4.0 naar LiMux, een eigen Linux-distributie. De migratie kostte €23 miljoen en leverde naar schatting €11 miljoen besparing op. Tegen 2013 draaiden 14.800 werkplekken op LiMux.

Het project stuitte echter op problemen. Medewerkers hadden moeite met compatibiliteit van LibreOffice-documenten. Sommige wettelijk verplichte software vereiste closed source oplossingen. De zelfgebouwde distributie bleek technisch complex en de politieke steun nam af. In 2017 besloot de gemeenteraad terug te keren naar Windows 10. Sinds 2020 kiest München voor een andere aanpak. De coalitie van Groenen en sociaal-democraten richtte de Open Source Hub op, een centrum binnen de IT-afdeling it@M. De focus ligt nu op web-gebaseerde oplossingen in plaats van desktop-applicaties. In november 2023 opende de stad het platform opensource.muenchen.de met 32 open source toepassingen, waaronder DigiWF voor procesautomatisering en BayernID voor digitale identificatie. Een deel van de applicaties is overigens nog steeds Amerikaans (zoals de browser FireFox). Belangrijke geleerde lessen zijn:

  • Samenwerking is van groot belang. Afspraken over protocollen, methoden en bestandsformaten maken het makkelijker om ervaringen te delen. In Duitsland verloopt contact tussen gemeenten vaak via persoonlijke netwerken, wat gestructureerde kennisdeling bemoeilijkt. Steden als München, Neurenberg en Augsburg proberen nu georganiseerder samen te werken. Binnen het onderwijs hebben we gelukkig een lange traditie van samenwerking!
  • Open source versterkt de technologische onafhankelijkheid. München zette lokale IT-bedrijven in voor de migratie van 15.000 werkplekken, waardoor de stad minder afhankelijk werd van grote leveranciers en de regionale IT-sector profiteerde.
  • De ambitie om een eigen Linux-distributie te ontwikkelen was te hoog gegrepen. Voor een organisatie van die omvang bleek dit te complex. De overstap naar web-gebaseerde open source oplossingen werkt beter omdat deze eenvoudiger te beheren en uit te breiden zijn. Inmiddels zijn heel veel applicaties web-based.
  • Professionalisering was heel belangrijk. Medewerkers gebruiken thuis vaak commerciële software zoals Microsoft Office, waardoor open source alternatieven op het werk onwennig aanvoelen. Dit vergrootte de trainingskosten. Web-gebaseerde applicaties die in de browser werken, verminderen dit probleem omdat gebruikers geen nieuw besturingssysteem hoeven te leren.

Tot slot

Digitale soevereiniteit is geen afgebakend project met een beperkte doorlooptijd, maar een strategische koers. Een overstap van Microsoft 365 naar een Europees alternatief kan een eerste stap zijn, maar alleen zinvol als die past binnen een bredere visie op regie, architectuur en gebruik. Wie digitale soevereiniteit serieus neemt, moet bereid zijn om consequent te zijn, keuzes te onderbouwen, te investeren en tijd te nemen. Begin bijvoorbeeld met de applicaties van ‘big tech’. Kijk ook naar applicaties waarvan de overeenkomst binnenkort afloopt.

Delen

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *